De bodem als fundament van gezondheid — het verhaal van Arnold van Woerkom en Bodemisch Food
Een openhartig gesprek over dertig jaar zoeken, leren en bouwen aan een teeltsysteem dat de wereld gezonder kan maken.
In deze aflevering spreek ik met Arnold van Woerkom, aardappelakkerbouwer in Bant in de Noord-Oostpolder. Arnold is geen activist, geen ideoloog en geen beleidsmaker. Hij is een nuchtere, praktische boer van de derde generatie — die in 1994 een professor ontmoette die hem met één zin op zijn plek zette: het voedsel wat jullie produceren is ziekmakend.
Die avond reed Arnold alleen terug naar huis. Met een hoofd vol vraagtekens. Hij dacht dat hij zijn best deed. Goed werk leverde. De professor had meer te zeggen. Als boeren erin zouden slagen de evolutionaire voedingswaarde terug te geven aan hun producten — de inhoud waarop de mens als soort heeft geëvolueerd — dan zouden de zorgkosten met dertig tot vijftig procent kunnen dalen.
Hij beschrijft het zelf als twee personen in de auto: de boer die nee zat te knikken, want het paste helemaal niet in het systeem. En de mens, die heel goed begreep wat die professor bedoelde. En één groot probleem: een hoofd vol vraagtekens. Wat doen we fout? En hoe moet het dan anders?
En die vraagtekens werden het begin van een zoektocht die inmiddels dertig jaar duurt. Arnold deelt met ons hoe in die dertig jaar zijn eigen puzzel heeft gelegd — nuchter, open en zonder omhaal.
Het resultaat: Bodemisch Food — een gecertificeerd teeltconcept dat gezondheid van de bodem als fundament neemt.
👉 Geen ploegen meer sinds 2000.
👉 Grondanalyse via de Kinsey-Albrecht methode.
👉 Groenbemesting met zestien verschillende zaden.
👉 Wormencompost.
👉 Aardappelwortels die doorgroeien tot 95 centimeter diepte.
👉 En een Bovis-waarde van 9.000 — daar waar gangbare aardappelen op 5.900 zitten en de neutrale grens op 6.500 ligt.
En dit gesprek gaat over meer dan teelttechniek.
Het gaat over het innerlijke gevecht van een boer die weet dat het anders moet, maar ook weet hoeveel het kost om anders te doen. Over een systeem dat schaalvergroting beloont en kwaliteit niet. Over de vraag hoe je gezond voedsel betaalbaar maakt voor de massa — niet door het goedkoper te produceren, maar door de keten opnieuw in te richten. En over de mens Arnold, die van zijn bodem is gaan houden zoals je van iemand kunt gaan houden: meer naarmate je hem beter leert kennen.
Wat blijft hangen na het luisteren? Ik hoor graag van je!
Investeer mee in de podcast en waardeer dit hoorcollege met een donatie of maand abonnement. Zo doneert een melkveehouder maandelijks 50 euro omdat ieder gesprek hem helpen vooruit te gaan. Een andere luisteraar doneerde eenmalig 100 euro omdat het gesprek zoveel nieuwe inzichten brengt, daar kon geen boek tegenop. Wat is het jouw waard?
Mijn collectezak met de betaallinks 👇
💲 collectezak👉hier is de link naar mijn betaalprovider
🌻
👉Nieuw Voer: [https://nieuwvoer.nl/jouw-bijdrage-aan-meer-nieuw-voer/]
🌻
👉 Petjeaf: (als je een factuur wenst) [https://petjeaf.com/nieuwvoer]
Maandelijks of eenmalig, met het bedrag wat het je waard is, wat als dat je ding is.
Wat je ook kiest, hartelijk dank alvast voor je steun en veel lees / luister plezier.
En meld je aan voor de nieuwsbrief zodat je het volgende gesprek niet mist!
De zoektocht begint: keukentafels en kennisnetwerken
Arnold ging niet stilzitten. Samen met zakenrelatie Marco van Gurp begon hij in 1994 en 1995 systematisch te zoeken naar mensen die publiceerden over voedselkwaliteit. Telkens als hij iemand vond die iets interessants schreef of zei, zocht hij diens telefoonnummer op en belde hij op. De reactie was steeds dezelfde: wat bijzonder dat een boer bij mij komt. Kom maar langs.
Zo bezocht hij wetenschappers, onderzoekers en pioniers aan hun keukentafel. Hij verzamelde enorme hoeveelheden informatie. Stuk voor stuk puzzelstukjes die zijn beeld van de wereld langzaam veranderden.
Wat hij leerde, was radicaal anders dan wat hij op school had meegekregen en wat Wageningen verkondigde. En toch voelde het goed. Niet als theorie, maar als iets wat klopte met zijn eigen boereninstinct.
In 1999 kwamen twee mensen op zijn pad die de helikopterview hadden. Ze konden al die losse informatie integraal bekijken en er een werkbaar concept van maken. Dat was het moment waarop Bodemisch Food ontstond — niet als marketingconcept, maar als teeltsysteem. Een manier van werken met de bodem die sindsdien steeds verder is ontwikkeld.
Wat is Bodemisch Food?
Bodemisch Food is een gecertificeerd teeltconcept dat gezondheid van de bodem als fundament neemt. Het is geen biologische certificering, geen Skal-keurmerk. Het is iets anders: een integraal systeem dat het beste haalt uit zowel gangbare als biologische inzichten, met als einddoel voedsel dat aantoonbaar meer voedingswaarde heeft dan gangbaar of biologisch geteeld.
Arnold formuleert het kernprincipe simpel: “Een gezonde bodem is het fundament van het leven van gezondheid.”
Dat klinkt bijna te eenvoudig. De uitwerking is diepgaand.
Niet meer ploegen
Sinds 2000 ploegt Arnold niet meer. Dat is inmiddels vijfentwintig jaar geleden — en het is een beslissing die hij nooit heeft betreurd.
Ploegen vernietigt wat het bodemleven heeft opgebouwd: schimmelnetwerken, wortelgangen, de verticale structuur die water in staat stelt diep de grond in te zakken. Als je ploegt, maak je de grond los als een spons. Rijdt er vervolgens een machine overheen, dan druk je die spons samen — en hij veert niet meer terug. De grond is dicht, de kanalen zijn weg.
Bij Arnold is dat anders. Zijn grond blijft compact maar intact. De kanalen van wormen en schimmels blijven bestaan. Na extreme regenbuien — hij beschrijft een avond met stortbuien waarbij buurpercelen wekenlang blank stonden — droogde zijn land binnen een dag op. De verticale drainage werkt, omdat het leven in de grond zijn werk kan doen.
De Kinsey-Albrecht methode
Al acht à tien jaar laat Arnold zijn grondmonsters analyseren via de methode van Neal Kinsey — gebaseerd op het werk van William Albrecht (zie: kinseyag.com). Dit is een fundamenteel andere benadering dan de gangbare grondanalyse in Nederland.
Waar een Nederlandse grondanalyse primair gericht is op productiemaximalisatie — hoeveel stikstof, fosfaat en kali moet erbij — begint de Kinsey-Albrecht methode bij de onbalans. Welke elementen blokkeren elkaar? Wat ontbreekt? Wat werkt het andere tegen?
Arnold legt het uit met een simpele metafoor: eerst het fundament goed, dan pas het huis. Als de balans in de bodem niet klopt, werken voedingsstoffen en bodemleven elkaar tegen. Sommige elementen blokkeren de opname van andere volledig. Je kunt dan wel meer kunstmest gooien, maar het helpt niet — het probleem zit dieper.
Pas als de balans hersteld is, wordt gekeken naar productiemaximalisatie. Die volgorde is cruciaal. En die volgorde is precies het omgekeerde van wat gangbare akkerbouw doet.
De resultaten zijn zichtbaar in de getallen: jaar op jaar verbetert de balans. Niet spectaculair ineens, maar stap voor stap. En in de afgelopen zeven à acht jaar is het humuspercentage gestegen van net onder de twee procent naar ruim drie procent. Dat lijkt weinig, maar voor akkerbouwgrond in de polder is het een significante verbetering.
Organische mineralen: de bodem voeden, niet de plant
Via Marco van Gurp kwam Arnold in contact met vloeibare organische mineralen — eerst via het Deense concept Flex, later doorontwikkeld tot het Nederlandse product Next. Het verschil met gangbare kunstmest is fundamenteel.
Gangbare meststoffen voeden de plant direct. Organische mineralen zijn gebonden aan organische verbindingen, waardoor ze niet uitspoelen bij regen en pas vrijkomen als de plant er actief om vraagt. Ze voeden de bodem, niet de plant. Die nuance bepaalt alles.
Groenbemesting met zestien zaden
Na de oogst van vroeg gewas — bij Arnold zijn dat tulpen en wintergerst, die eind juli van het land zijn — wordt het perceel licht bewerkt en ingezaaid met een zelfgemengd mengsel van zestien verschillende zaden.
Arnold mengt dat mengsel zelf, in een betonmolen. Dertig kilo per hectare, samengesteld op basis van drie criteria.
Ten eerste: het mengsel moet in het voorjaar makkelijk te verwerken zijn, zodat het geen probleem vormt voor het poten van aardappelen.
Ten tweede: variatie in worteldiepte. Er moet een gewas bij dat ondiep wortelt, een gewas dat middelmatig wortelt, en een gewas dat diep wortelt. Zo worden alle lagen van het bodemprofiel benut en gevoed.
Ten derde: variatie in nutriëntopname uit de lucht. Planten nemen via hun bladeren ook mineralen op — uit vulkanische gassen, stikstof, CO₂ en andere stoffen die in de atmosfeer zitten. Verschillende planten nemen verschillende stoffen op. Door die variatie mee te nemen in het mengsel, worden ook de mineralen uit de lucht zo volledig mogelijk benut.
Het mengsel bevat onder andere zonnebloemen, gele mosterd, physalia en gerst. In goede jaren groeit het manshoog. Imkers brengen hun bijen om er te overwinteren — de bijen komen er vet en gezond vandaan, na weken voeden op een bloeiend, biodivers veld.
Arnold werkt zoveel mogelijk met zaadvaste rassen. Niet omdat hij dogmatisch is, maar omdat hij gelooft in de integriteit van het zaad en de continuïteit van het genetisch materiaal.
Wormencompost
Arnold strooit wormencompost van een gespecialiseerde wormenboer. De ambitie is om dit in de toekomst zelf te produceren, binnen een gemengd bedrijf. Koeienmest wordt op een ouderwetse mesthoop gezet, afgedekt met een kap, aangevuld met steenmeel en houtachtige fracties. Mestwormen worden geïnjecteerd en vreten de mest op, waarna hun uitwerpselen — wormencompost — een volwaardig voedingspakket vormen voor de bodem.
De resultaten: meetbaar en opmerkelijk
Na jaren van werken met dit concept zijn de resultaten inmiddels meetbaar en consistent.
37% meer mineralen. In 2016, na zestien jaar werken met het concept, had Arnold gemiddeld 37% meer mineralen in zijn aardappelen dan gangbare telers. Ongewogen, om discussie te vermijden — maar zelfs zonder weging is het verschil significant.
Bovis-waarde van 9.000. Een kennis bracht een aardappel van Arnold naar een vrouw in Amsterdam die Bovis-metingen doet — een methode om de levensenergie van voedsel te meten. De neutrale grenswaarde is 6.500: niet ziekmakend, maar ook niet gezondmakend. Een gangbare aardappel scoorde 5.900. Een biologische aardappel scoorde 6.000. Arnolds aardappel scoorde 9.000. Vijftig procent meer voedingswaarde dan biologisch.
Wortels tot 95 centimeter diepte. Bij een profielkuil die werd gegraven in aanwezigheid van de Amerikaanse bodemdeskundige Neal Kinsey, werden onder de microscoop levende worteltjes van Arnolds aardappelen aangetroffen in het veen — op 95 centimeter diepte. Iets wat als onmogelijk werd beschouwd. De verklaring: doordat er niet geploegd wordt, blijven de wortelgangen van vorige generaties gewassen intact. Nieuwe wortels groeien langs die gangen verder omlaag, reiken dieper, halen meer mineralen op uit lagen die gangbare teelt nooit bereikt.
Bodembiodiversiteit. De Universiteit Leiden steekt al jaren grondmonsters op Arnolds percelen, als onderdeel van een onderzoek voor de provincies Friesland, Groningen en Drenthe. Hoewel Arnolds percelen buiten dat gebied liggen, vroegen de onderzoekers hem ook mee te doen — en in 2020 stelden ze vast dat zijn grond “met kop en schouders” bovenuit steekt, zowel in biodiversiteit als in biomassa van het microbioom. In 2024 kwamen ze terug voor extra grond.
Het innerlijke gevecht van de boer
Achter al deze technische details zit een menselijk verhaal dat minstens zo belangrijk is.
Arnold beschrijft hoe de buitenwereld ondernemers beoordeelt op uiterlijke schijn: hoe groot is je huis, hoe vaak ga je op vakantie, hoeveel land heb je. Maar hij heeft andere criteria gekozen. Iets voor een ander betekenen. Voedsel produceren als een daad van zorg.
“Voedsel produceren is eigenlijk iets produceren voor een ander. Je bent faciliterend.”
Dat klinkt eenvoudig, maar het vraagt enorme moed. Het betekent je zekerheden opgeven. In onzekerheid stappen. Afwijken van wat de bank, de accountant en de vakpers je vertellen. Arnold heeft dat gevecht met zichzelf gevoerd — en gewonnen, maar niet zonder slag of stoot.
Hij beschrijft hoe collega’s hem uitlachten. Hoe ambtenaren op het ministerie hem niet begrepen. Hoe certificeringsinstellingen zijn concept commercieel niet interessant vonden omdat er maar drie deelnemers waren.
Maar hij bleef. Niet uit koppigheid, maar vanuit overtuiging. Omdat de professor gelijk had. Omdat de resultaten hem gelijk gaven. En omdat hij geloofde — en nog steeds gelooft — dat voedsel een medicijn kan zijn.
Hippocrates zei het 2.300 jaar geleden al: laat voedsel uw medicijn zijn en uw medicijn uw voedsel. Arnold had die zin die ochtend opgezocht, voor het gesprek, om zeker te weten dat hij hem goed had. Want hij wilde geen flater slaan.
Drie stappen naar handelen
Arnold beschrijft zijn aanpak in drie stappen die hij ook gebruikt om anderen te begeleiden.
De eerste stap is herkennen. Je moet de wet van de natuur leren zien. Kijken zonder oordeel. Waarnemen wat er werkelijk gebeurt in de bodem, in het gewas, in het systeem.
De tweede stap is erkennen. Niet alleen zien, maar ook accepteren. Dat is moeilijker. Het betekent loslaten wat je dacht te weten. Het betekent je kwetsbaar opstellen.
De derde stap is handelen. Doen wat de natuur vraagt, ook als dat haaks staat op het systeem.
Arnold is zelf pas in 2023 met die derde stap begonnen voor een nieuw onderdeel van zijn aanpak — iets wat hij bewust vaag houdt, maar wat refereert aan de uitspraak van Einstein: de geneeskunde van de toekomst zal de geneeskunde van de frequentie zijn. De resultaten zijn veelbelovend. Meer wil hij er voorlopig niet over zeggen.
Het systeem: schaalvergroting werkt niet voor kwaliteit
Arnold is scherp over de richting waarin de Nederlandse akkerbouw is gegaan. Hij ziet het elke dag om zich heen.
“Ik zie nu een schaalvergroting ontstaan waarin één ondernemer een hele boel land heeft. En wat zie ik? Dat ze keihard moeten werken. Ze hebben een bank die op hun schouder zit en een accountant. Die bepalen wat zij doen. Dat betekent harder werken, meer en nog meer. Ik hoor ze ‘s morgens om zes uur al wegrijden met een spuit en ‘s avonds om half elf zie ik ze terugkomen.”
Het gevolg is dat de details verloren gaan. En het zijn juist die details die kwaliteit bepalen. Een boer die zeven dagen per week van vroeg tot laat werkt, heeft geen tijd om op zijn knieën te zitten en te kijken wat er in zijn grond leeft. Heeft geen ruimte om te verwonderen. Heeft geen energie om vragen te stellen.
Arnold gelooft niet dat groter de oplossing is. Hij gelooft in samenwerking.
Samenwerken als nieuw model
Bodemisch Food telt inmiddels drie deelnemers: Arnold zelf als aardappelteler, een groenteteler in Warmenhuizen en een zachtfruitkweker in Burgum (familie Hogeboom en familie Vonk). Klein nog, maar het begin van iets.
Zijn visie op samenwerking is concreet en doordacht. Hij beschrijft het als zes kavels: drie in de akkerbouw, drie in de veehouderij. Eenjarig grasland, tweejarig grasland, en een kavel voor voederwinning. De koeien grazen op biodivers grasland dat fungeert als medicijnkast. Hun mest wordt via wormen omgezet tot wormencompost. De kringlopen sluiten zich.
Maar Arnold gaat verder. Hij wil ook burgers laten participeren.
“Alles wat je inbrengt wordt op waarde gezet — geld, grond, arbeid. Aan het eind van de rit is er een netto rendement, en dat wordt verdeeld naar rato van inbreng. Zo wordt gezonder voedsel niet duurder, maar eerlijker verdeeld.”
Het model lijkt op dat van een coöperatie of een startup: iedereen brengt waarde in, iedereen deelt mee in het resultaat. En even belangrijk: er zijn drie mappen. Eén voor hoe je erin stapt, één voor hoe het spel gespeeld wordt, en één voor hoe je eruit stapt. Zonder die derde map gaat elke samenwerking vroeg of laat mis.
Arnold weet dat uit eigen ervaring. Zijn eerste samenwerkingsverband — de Sjalom — groeide uit tot vijf kavels van 24 hectare, maar eindigde na tien jaar juridisch gedoe. De les: organiseer het goed van tevoren, of je betaalt de prijs achteraf.
Certificering door afnemers
Klassieke certificeringsinstellingen wezen Bodemisch Food af: te weinig deelnemers, commercieel niet interessant. Arnold bedacht een alternatief.
“Ik ga me laten certificeren door mijn afnemers. Punt.”
Afnemers wijzen vertegenwoordigers aan die het bedrijf bezoeken, vragen stellen, en zo vertrouwen opbouwen. Transparant, goedkoop, en gebaseerd op een directe relatie. Geen dure overhead, geen bureaucratie, geen instituut dat zijn eigen voortbestaan moet financieren.
Het merk Bodemisch Food is eigendom van zijn zoon John — met de gedachte dat het van iedereen is die er ooit aan deelneemt. Het is geen handelsmerk om geld mee te verdienen. Het is een beschermingsvorm voor kennis: zodat de investering van dertig jaar zoeken niet zomaar gekopieerd kan worden door iemand die alleen de makkelijke stappen pakt en de moeilijke achterwege laat.
Van bodem naar bord: de keten opnieuw uitvinden
Van elke euro die de consument betaalt, komt slechts tien tot vijftien procent bij de boer terecht. De overige 85 procent zit in de keten — en van dat percentage is 30 procent winst voor de ketenpartijen.
Arnold wil dat veranderen. Niet door te klagen, maar door een alternatief te bouwen.
Zijn idee: stadsboerderijen als distributiepunten. Producten rechtstreeks bij de bakker, de groenteboer, de melkboer in de wijk — het midden- en kleinbedrijf dat net als de boer in de hoek zit waar de klappen vallen. Door die partijen te verbinden, ontstaat een netwerk waarin gezond voedsel dichtbij en betaalbaar is, zonder dat de supermarkt er zijn marge op zet.
“Als wij die keten naar ons toe halen, halen we die kosten naar ons toe. Maar dat verdienmodel ook.”
Het klinkt ambitieus. Maar Arnold heeft bewezen dat hij de lange adem heeft. Hij denkt in decennia, niet in kwartalen.
Voedsel als medicijn: de wetenschappelijke onderbouwing
Wat Arnold intuïtief aanvoelde en praktisch bewees, wordt steeds meer wetenschappelijk onderbouwd.
In de bodem zitten meer dan negentig verschillende nutriënten. Elke plant heeft zijn eigen voorkeur — neemt zijn eigen pakket op, en niet meer dan dat. Wie divers eet, vers en zo min mogelijk bewerkt, en wiens voedsel geteeld is op een gezonde bodem, krijgt praktisch alle voedingsstoffen binnen die het lichaam nodig heeft.
Maar er is meer. Als een aardappel geschild wordt, start het natuurlijke verteringsproces. Per uur gaat de voedingswaarde omlaag. Dat is geen fout — dat is de natuur. Een knol is bedoeld om te groeien, niet om eeuwig houdbaar te zijn. Industrieel voedsel wordt kunstmatig houdbaar gemaakt door dat leven te doden. Hetzelfde leven dat in ons maag-darmstelsel thuishoort.
Arnold haalt het voorbeeld van zijn oma aan: brood dat na twee dagen hard werd en na vier dagen beschimmelde. Dat was brood met leven erin. Modern brood blijft weken zacht — omdat het leven eruit is gehaald.
“Van de bodem houden is van je darmen houden. En als je je darmen niet geeft wat ze nodig hebben, dan kan je wel zo slim en verstandig zijn en alles, maar dan gaat het lichaam op een gegeven moment niet meer functioneren zoals het zou moeten.”
Proeven in Amerika wijzen op positieve effecten van voedsel met hoge voedingsdichtheid op Alzheimer, dementie en kankers. Arnold is voorzichtig met claims. Wel is de richting helder.
Opvolging en de volgende generatie
Arnolds zoon John heeft het bedrijf overgenomen. Arnold is eerlijk: John is anders dan hij. Andere kwaliteiten, andere stijl. En dat is juist goed.
Want Arnold gelooft niet in de eenzame pionier die alles zelf weet en alles zelf doet. Hij gelooft in complementariteit. In samenwerkingen waarbij één plus één plus één geen drie is, maar zeven of acht of negen — omdat mensen elkaars kwaliteiten versterken.
Het opvolgingsvraagstuk is een van de grootste uitdagingen voor de pioniersgeneratie in de Nederlandse landbouw. Theo Mulder, John Huiberts, Stijn Baan — allemaal staan ze voor de vraag hoe ze hun kennis en visie overdragen zonder dat het verwatert of verloren gaat. Arnold heeft zijn antwoord gevonden in het merk, het teeltsysteem en het organisatiemodel. En hij weet ook dat het niet af is.
“Als ik kan bereiken dat ze nog positief aan me terugdenken als ik mijn ogen voorgoed sluit — en dat onze jongelui de continuïteit van hun onderneming kunnen waarborgen en het stokje kunnen doorgeven — dan ben ik blij.”
Wat de grond ons al weet te vertellen
Er is één moment in het gesprek dat alles samenvat.
Arnold ligt op zijn knieën in de akker, ‘s avonds, in de Noord-Oostpolder. Hij trekt aardappelstruiken uit de grond. En ineens ziet hij het: wormen, kevertjes, torretjes, een heel universum van leven dat zich voor zijn ogen ontvouwt. En hij beseft: dit is nog maar 1% van wat hier werkelijk leeft.
“Toen dacht ik ineens: het is eigenlijk toch gewoon een wonder wat hier gebeurt. En zo zie ik dat nog steeds. Als wij dat wonder faciliteren, zijn gang laten gaan, optimaliseren — dan kan dat wonder ons gewoon gezonder maken. Want geneeskracht zit in de grond.”
Arnold is van zijn bodem gaan houden. Niet als eigenaar, maar als rentmeester. Hij koestert haar. Geeft haar wat ze nodig heeft. En ze geeft terug — in voedsel dat meer waard is dan wat de markt ervoor betaalt.
Dat is de kern van Bodemisch Food. Niet een certificering, niet een merk, niet een verdienmodel. Maar een fundamentele heroriëntatie op wat landbouw is en waarvoor het dient.
Voedsel produceren is iets produceren voor een ander. Je bent faciliterend.
En de bodem — die gezonde, levende, complexe bodem — is het fundament van alles.
In zijn afsluitende boodschap adviseert Vanhoof boeren om berekende, voorzichtige proeven te doen, goed te observeren en kennis te delen. Aan wetenschappers en beleidsmakers zegt hij: als modellen iets afkeuren maar de praktijk laat zien dat het werkt, ga terug naar de praktijk en blijf bij de realiteit. Aan beleid vraagt hij vooral faciliteren: geef bedrijven met goede mest ruimte voor bijvoorbeeld bovengronds uitrijden, of meer dierlijke stikstof als daarmee kunstmest omlaag kan; andersom (dierlijke mest beperken en kunstmest toestaan) noemt hij ‘omgekeerde wereld’. Voor jongeren adviseert hij kritisch te kijken, niet alles van internet te geloven, te observeren en terug te gaan naar de basis; “het oog van de meester maakt de dieren vet.”
Nieuw voer is een podcast van Alexander Prinsen waarin hij opzoek gaat naar de transitie in de landbouw. In het dagelijks leven adviseert hij ondernemers anders te kijken naar de realiteit en innovatie met als doel volhoudbare verdienmodellen te realiseren die toekomstbestendig zijn. Meer weten kijk op www.scopematters.com.

Leave a Comment