In deze aflevering spreekt Alexander met bodembioloog Peter vanHoof. We gaan het hebben over de landbouw als kringloopsysteem waarin bodem, voer, diergezondheid, mestkwaliteit en opbrengst elkaar beïnvloeden. VanHoof zal aan ons uitleggen uit hoe mestkwaliteit sterk afhangt van gezonde dieren en een goed verteerd rantsoen, en hoe rotting in de mestput ammoniak en stank veroorzaakt, hogere pH en meer emissie, terwijl fermentatie met melkzuurbacteriën juist helpt. En we duiken diep in hoe pH, elektrische geleidbaarheid (zoutwerking) en C/N-verhouding emissie en bodembiologie sturen. Hij bespreekt metingen zoals pH, elektrische geleidbaarheid (zoutwerking), redox en ammoniakemissiepotentieel, en hoe te veel snelwerkende stikstof de plant-bodem-symbiose en wortel-exsudaten remt. Daarnaast komen bodemstructuur, calcium-magnesiumbalans, humusopbouw, steenmeel, compostthee, beweidingssystemen, samenwerking tussen akkerbouw en veehouderij, en het belang van praktijkproeven boven modellen aan bod.
In de woorden van Peter: je moet in de bodem een huis creëren voor de biologie waar het in kan leven. Het doel is en de uitdaging is om met natuurkrachten samen te werken. De natuur is veel sterker als wij. “Daar winnen we het dus niet van. Nu kun je wel zeggen we gaan alles naar onze hand zetten, maar ja, als je gewoon samenwerkt met de sterkere, dat gaat meestal goed. De uitdaging is weten weten hoe en wat. En dat kennisniveau begint nu echt wel toe te nemen.”
Wat blijft hangen na het luisteren? Ik hoor graag van je!
Investeer mee in de podcast en waardeer dit hoorcollege met een donatie of maand abonnement. Zo doneert een melkveehouder maandelijks 50 euro omdat ieder gesprek hem helpen vooruit te gaan. Een andere luisteraar doneerde eenmalig 100 euro omdat het gesprek zoveel nieuwe inzichten brengt, daar kon geen boek tegenop. Wat is het jouw waard?
Mijn collectezak met de betaallinks 👇
💲 collectezak👉hier is de link naar mijn betaalprovider
🌻
👉Nieuw Voer: [https://nieuwvoer.nl/jouw-bijdrage-aan-meer-nieuw-voer/]
🌻
👉 Petjeaf: (als je een factuur wenst) [https://petjeaf.com/nieuwvoer]
Maandelijks of eenmalig, met het bedrag wat het je waard is, wat als dat je ding is.
Wat je ook kiest, hartelijk dank alvast voor je steun en veel lees / luister plezier.
En meld je aan voor de nieuwsbrief zodat je het volgende gesprek niet mist!
Deze samenvatting is gemaakt door AI. Ik zal op een later deze samenvatting verder aangescherpen met de vele anecdotes en inzichten die Peter heeft aangedragen.
Uitgebreide samenvatting
In deze aflevering van Nieuw Voer onderzoekt Alexander met bodembioloog Peter Vanhoof hoe een systeemanalyse helpt om bodem, mest en het landbouwsysteem te begrijpen als een kringloop waarin elke stap de volgende beïnvloedt: een goede bodem ondersteunt gezonde planten/voer, wat leidt tot gezondere dieren en mensen, betere producten en betere mest, die vervolgens de bodem weer voedt.
-> de uitdaging is dus om een extra motor aan te zetten. De motor van de bodem, microbiologie om het hele metabolisme tot zijn recht te laten komen.
Vanhoof verwijst naar Hans Peter Rusch’ biologisch denken over bodemvruchtbaarheid en symbiose tussen plant en bodemleven, en benadrukt dat je aan de bodem kunt zien hoe een bedrijf functioneert. Zijn werk richt zich op het terugbrengen van de bodem “in zijn kracht” en op het produceren en toepassen van mest die het bodemleven stimuleert in plaats van het te belasten. Daarbij maakt hij duidelijk dat “de ene mest de andere niet is”: grote verschillen in mestkwaliteit hangen sterk samen met diergezondheid en vooral met het rantsoen en de vertering. Als koeien het voer goed verteren, blijft er weinig onverteerd eiwit/zetmeel over om in de mestput te gaan rotten; de boer “voedt dan de koe en niet de mestput”. Bij te intensief of uit balans gevoerd rantsoen komen halfverteerde eiwitten en zetmeel in de mestput terecht, waar in het anaerobe milieu rottingsmicrobiologie eiwit afbreekt en onder meer ammoniak vormt; mest gaat dan rotten en stinken. Is de put “arm” aan dit rottingsvoedsel, dan ontwikkelen eerder melkzuurbacteriën, blijft de pH voldoende laag, stinkt de mest minder en vervluchtigt ammoniak beperkt.
Vanhoof legt uit dat emissiepotentieel sterk samenhangt met pH: bij gelijke ammoniakale stikstof kan een hogere pH veel meer emissie geven, wat hij illustreert met berekeningen (Henderson-Hasselbalch) waarbij bij pH 7 en 20°C circa 0,4% in gasfase zit, en dat percentage snel verdubbelt bij stijgende pH (7,3; 7,6; 7,9). Daarom meet hij emissiepotentieel met representatieve mestmonsters naast standaard NPK-analyses, inclusief ammoniakale stikstof. Naast pH beklemtoont hij dat voor bodemleven vooral zoutwerking schadelijk is: opgeloste minerale zouten zoals ammonium, kalium en natrium. Hiervoor meet hij de elektrische geleidbaarheid (EC) van mest; een hoge EC wijst op een zouter milieu waar bacteriën en schimmels slecht tegen kunnen, vergelijkbaar met sterk zout werkende meststoffen. Vaak correleert hogere EC met hogere pH en komen nutriënten dan in een ‘verkeerde’ chemisch actieve vorm binnen, waardoor bodemmetabolisme extra stappen nodig heeft om te neutraliseren. Een overmaat aan ammoniumzouten kan bovendien versnelde afbraak van organische stof veroorzaken, terwijl behoud en opbouw van organische stof juist cruciaal zijn.
Kern van bodemopbouw
De kern van bodemopbouw ziet Vanhoof in een sterke plant-bodemleven-symbiose: planten sturen via wortel-exudaten (koolhydraten, enzymen, eiwitten en andere stoffen) specifieke biologie aan, zoals mycorrhiza, melkzuurbacteriën of stikstofbindende bacteriën bij klaver. Wanneer planten echter te veel minerale stikstof in korte tijd opnemen (door ‘te felle’ drijfmest of kunstmest), kunnen ze die stikstof niet snel genoeg omzetten in eiwit en ontstaat nitraat in het gewas. Daardoor gebruikt de plant suikers uit fotosynthese om de stikstofovermaat te verwerken in plaats van om exudaten te maken; de symbiose valt dan grotendeels weg. Vanhoof ontwikkelde een eigen test, gebaseerd op Rusch, waarin hij een beetje suiker aan een bodemonster toevoegt en de reactie observeert: een sterke reactie duidt op aanwezige biologie die bij voldoende ‘voeding’ actief wordt; een zwakke reactie wijst erop dat biologie onvoldoende kans krijgt door bemestingsbeheer. Hij benadrukt dat gangbare bedrijven soms wél goede biologie hebben, maar dat die door te veel snelwerkende stikstof niet tot ontwikkeling komt; boeren kunnen met proefstroken (minder kunstmest) vaak zien dat groei gelijk blijft of verbetert doordat symbiose actief wordt. Daarmee bekritiseert hij de reflex om alles “perfect onder controle” te willen houden en tegelijk natuurlijke systemen uit te schakelen. Hij vergelijkt het activeren van het bodem-‘immuunsysteem’ met het trainen van menselijke weerbaarheid en pleit voor samenwerken met natuurkrachten: kennis neemt toe, maar veel van deze biologie is volgens hem niet geleerd in de landbouwopleiding.
Volgen van je voortgang
Tegelijk stelt Vanhoof dat biologie pas optimaal werkt als de bodemstructuur ‘een huis’ biedt. Hij gebruikt een beeld van een gebombardeerd kasteel als metafoor voor slechte structuur en start in zijn aanpak vaak met de calcium-magnesiumverhouding. Te weinig calcium en te veel magnesium geeft verdichting, slechte waterinfiltratie (regen dringt slechts circa 10 cm in) en bij droogte een ‘beton’achtige bodem. Calcium bemesten kan porositeit herstellen. Omgekeerd kan te veel calcium een te poreuze, te droge bodem geven, zoals op kalkbodems; zowel verhouding als absolute concentraties zijn belangrijk. Hiervoor verwijst hij naar bodembalans- of Kinsey-analyses en merkt op dat meetmethoden tussen labs kunnen verschillen (nat-chemisch versus NIRS). Als structuur en balans kloppen, kan biologie worden geactiveerd met compostthee, goede organische mest, goede drijfmest of liefst ruige mest die als meststof én microbiële inoculant werkt. Daarna moeten microben ook ‘eten’ krijgen via wortel-exudaten, wat vraagt om maximale fotosynthese en voldoende mineralen in het gewas: magnesium (bladgroen), mangaan (fotosynthese), fosfaat en borium (energie- en suikercirculatie richting wortels). Meststoffen met sterke zoutwerking moeten volgens hem verdund of in kleine giften worden gegeven. Hij benoemt landbouw als samenspel van chemie, fysica en biologie.
Niet elke bodem is hetzelfde
Voor zandgronden benadrukt hij het belang van humus omdat kleimineralen ontbreken; vocht- en nutriëntenbuffering hangt dan vooral af van humusdeeltjes. Hij noemt steenmeel (gemalen lava/basalt) als manier om ontbrekende mineralen aan te voeren en beschrijft projecten (o.a. Gelderland) waar combinatie van calcium-magnesiumwerk, steenmeel en biologische bemesting leidde tot spectaculair diepere beworteling in grasland (van ~18–20 cm naar ~35–40 cm in één seizoen), langer groen blijvend gras in droge jaren en snellere stijging van organische stof (gemiddeld 0,25% per jaar versus 0,1% eerder). Ook op gangbare heidegronden zag hij vergelijkbare effecten bij minder kunstmest. Zulke zichtbare praktijkvoorbeelden zijn volgens hem doorslaggevend voor adoptie, ongeacht leeftijd van de boer; het gaat om instelling, motivatie en het zien werken in de praktijk. Hij stelt dat het ultieme bewijs is wat op het bedrijf lukt, niet wat theorie of discussies beweren.
De bodem weet niet of er een certificaat is
Vanhoof relativeert labels als ‘biologisch’ en ‘gangbaar’: de bodem weet niet of er een certificaat is; het gaat om wat je doet. Hij kent gangbare boeren die quasi-biologisch met de bodem omgaan en biologische boeren die minder goed bezig zijn; mindset en vakmanschap zijn bepalend. Over de term ‘regeneratief’ zegt hij dat die net als ‘kringlooplandbouw’ is uitgehold en soms voor greenwashing wordt gebruikt. Voor hem betekent regeneratief: de bodemkwaliteit zó verbeteren (bodemleven, diepe beworteling, geen storende lagen) dat je die beter doorgeeft aan de volgende generatie. Hij bekritiseert woordspelingen waarbij mestverwerking en fracties scheiden ‘circulair’ wordt genoemd zonder dat bodemkwaliteit centraal staat.
Voorbeelden uit de praktijk
In de praktijk stimuleert hij boeren om stap voor stap te veranderen: proefstroken, geleidelijk kunstmest afbouwen, tegelijk structuur en rantsoen verbeteren. Te snel teruggrijpen naar kunstmest kan herstel ondermijnen; er is een ‘routekaart’ nodig om een bodem te laten ‘afkicken’. Financieel hoeft dit volgens hem niet per se risicovol te zijn: het gaat vaak om kosten verschuiven (minder kunstmest, meer steenmeel/zwavel waar nodig; minder krachtvoer, investeren in kruidenrijk grasland). Ook bespreekt hij dat minder liters melk niet automatisch minder inkomen betekent: lagere kosten, betere gezondheid, vruchtbaarheid en minder problemen kunnen zorgen dat boeren met minder productie meer verdienen; hij noemt het voorbeeld van boeren die “nog nooit zo weinig gemolken en nog nooit zoveel geld verdiend” hebben.
Begrazing is een zo’n knop
De aflevering gaat ook in op management in grasland en begrazing. Alexander vraagt naar maaihoogte: Vanhoof legt uit dat iets hoger maaien (8–9 cm i.p.v. ~7 cm) meer bladgroen laat staan, snellere hergroei ondersteunt en de meest voedzame topjes oogst terwijl stengelige delen blijven; heel jong gras maaien heeft geen zin vanwege structuurbehoefte. Bij beweiden noemt hij verschillen tussen rassen (Jersey kan korter grazen dan Holstein door bek/tong), en twee stromingen: kort grazen voor uitstoeling en veel jonge scheuten, versus stripgrazen/rotatie waarbij koeien intensief een klein stuk afgrazen en pas na weken terugkomen. Stripgrazen kan organische stof opbouwen en helpt parasietcycli doorbreken als je net langer wegblijft dan de overlevingstijd van parasieten. Hij bespreekt ook het belang van snelle afbraak van koeienvlaaien: blijven vlaaien lang liggen, dan wijst dat op problemen met rantsoen of bodembiologie en blijven nutriënten onbenut; hij gebruikt ook het voorbeeld dat organisch materiaal diep onderploegen (20–30 cm) slecht verteert, vergelijkbaar met een houten paal die op diepte niet afbreekt.
Inzichten van Hans Peter Rusch
Hans Peter Rusch heeft dat heel mooi beschreven in zijn boek: Bodemvruchtbaarheid, een zaak van biologisch denken. Hij beschrijft er eigenlijk in hoe dat hele systeem werkt. Hoe die de symbiose eigenlijk tussen plant en bodemleven functioneert, hoe het voedsel binnen die kringloop circuleert en hoe het leven eigenlijk wordt doorgegeven.
Over Rusch’ invloed vertelt Vanhoof dat Rusch zag hoe composteren energieverlies geeft (van 1 ton naar ~300 kg compost) en het verteringsproces buiten de bodem plaatsvindt; Rusch pleitte voor mest zo vers mogelijk, goed verdeeld op het land en timing zoals in de natuur (nazomer/vroege herfst wanneer de bodem warm en vochtig is) zodat organisch materiaal in humus kan worden omgezet. Hij geeft een praktijkvoorbeeld met broccoli na grasklaver en 50 ton geitenstalmest: ingefreesd materiaal leidde tot groeiremming door intense afbraak en vrijgekomen groeiremmende stoffen; een tweede teelt na vertering groeide uitstekend. Oppervlakkig verteren (zoals bodembedekking) houdt gelaagdheid en doseert afbraak, waardoor groeiremming kleiner is. Ook bij drijfmest in het voorjaar kan te hoge dosis per keer groei remmen; beter is kleinere giften en mest die fermenteert in plaats van rot. In een periode van strengere mestnormen wordt kwaliteit en toepassen volgens hem nog belangrijker.
Goede mest is het zwarte goud
Vanhoof pleit ervoor mest weer als waardevol product te zien. In principe zou goede mest geld waard moeten zijn; hij berekent voor een gemiddelde kuub runderdrijfmest een waarde (genoemd: circa €15, gebaseerd op kunstmestprijzen) en probeert akkerbouwers ervan te overtuigen dat het onlogisch is om én mest te krijgen én geld toe. Hij schetst een toekomst met persoonlijke samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders: de akkerbouwer krijgt jaarlijks goede mest; de veehouder neemt bijvoorbeeld luzerne, graan of stro af. Zo kan kunstmestgebruik omlaag, met winst voor voedsel- en bodemkwaliteit en doelen die politiek op papier wil maar volgens hem nog onvoldoende faciliteert.
De gast bespreekt ook andere sectoren. De mogelijkheden bij varkens is om deze verstandiger voeren en met als gevolg een betere mestkwaliteit, met positieve resultaten in stal en op land. Voor geiten (vaak potstal/ruige mest) is het toepassen van microbiële preparaten handig want die verbeteren de vertering en verminderen de stank. Als voorbeeld kent hij een boer waarbij allergische reacties verdwenen bij het uitmesten na het sproeien met biologie preperaten. Voor de kippen benadrukt Peter dat rantsoen en vetzuurbalans (omega-3/omega-6) belangrijk zijn. Er is een rol weggelegd voor kippenmest als stikstof- en fosfaatrijke meststof, bijvoorbeeld als ‘kunstmestvervanger’ in combinatie met ligninerijke compost en gekorrelde kippenmest, zoals bij het concept van Zwarte Specht. Ligninerijke compost (o.a. populierenschors) bindt reststikstof in herfst/winter en vermindert nitraatuitspoeling doordat lignine traag verteert; in voorjaar kan eventueel worden aangevuld met korrelkippenmest met kunstmeststrooier. Hij noemt ook additieven zoals koolstofpoeders als mycotoxinen vanger en voor betere eiwitbenutting, en het toevoegen van microbiologie/EM of EM-achtige preparaten aan voer, mest of bodem. In Rusch’ visie zijn melkzuurbacteriën superbelangrijk: naast nutriënten circuleert ook ‘levende substantie’ in de kringloop.
Elektromagnetische straling in de praktijk
Een opvallend deel van het gesprek gaat over bio-elektriciteit, redox en straling. Vanhoof meet geen biofotonen, maar wel pH, EC en vooral redoxpotentiaal (millivolt), als elektrische indicatie van milieuconditie. Hij verbindt dit aan menselijke aarding: statische elektriciteit kan slaap/hoofdpijn beïnvloeden; fysiek contact met de aarde (blootsvoets op nat gras of in de tuin) zou ontladen. Hij noemt een methode met een metalen buisje verbonden aan een aardingspen in een stopcontact om spanning af te voeren, en vertelt over mensen die na aarden sneller herstellen van overspanning. Bij dieren wijst hij op lekstroom bij drinkbakken: met een voltmeter meet hij spanningsverschil tussen natte vloer en water; bij te hoge spanning drinken koeien met tegenzin en vertonen vreemd gedrag (bijv. vanuit een droge ligbox over een muurtje drinken). Goed aarden kan volgens hem liters melk per koe per dag schelen. Daarnaast bespreekt hij elektromagnetische straling en technologie in stallen (Bluetooth, internet, halsbanden) als mogelijke stressfactor. Hij geeft praktijkcases: een nieuwe stal met 2000 liter lagere melkproductie waarbij aanpassing van elektromagnetische straling verbetering gaf; een stal met zonnepanelen waar koeien bij volle zon in één hoek vluchtten door omvormers, opgelost met maatregelen en een ‘ontstoringsblokje’ op het zonnepaneel; toen het blokje afviel, kwam het gedrag terug en na terugplaatsen verdween het weer. Hij benadrukt dat dieren geen placebo-effect hebben: als dieren reageren, is het effect reëel. Alexander koppelt dit aan ideeën over de bodem als ‘batterij’ en elektronenoverschot; Vanhoof verwijst naar Olivier Husson en het idee dat lagere (minder positieve) redoxwaarden energie aangeven, maar waarschuwt dat te lage redox ook kan duiden op verdichting/onder water staan, dus de range moet goed blijven.
Onderliggende Meetmethode
Richting wetenschap en beleid bespreekt Vanhoof hoe hij meetmethoden uit Duitsland overnam om ammoniakemissie uit mest te meten in een proefopstelling; Duitsers namen op hun beurt pH/EC/redoxmetingen van hem over. Hij verbeterde het systeem en ziet wetenschappelijke interesse: bij ILVO (Vlaanderen) werden herhaalbare metingen gedaan; een uur meten geeft stabiele waarde, maar waarden na 15 minuten correleren sterk met de uurwaarde. Ook bij Louis Bolk liep een project waarin zijn metingen werden gebruikt; mest die volgens zijn systeem lage emissie had, liet in een windtunnelproef van TNO ook lagere emissie zien. Hij zet vraagtekens bij beleid rond emissies en bovengronds bemesten: in de praktijk zien boeren bij bovengronds uitrijden in kleinere doseringen vaak betere groei, terwijl beleid/ wetenschap emissieverlies veronderstelt. Bovengronds toepassen ook kan voorkomen dat groeiremmende of giftige rottingsmetabolieten de bodem in gaan, hij wil niet dat omgeving stank ervaart, daarom is ‘goede mest’ en management cruciaal. Koeien bemesten de bodem altijd bovengronds en ‘vers’ bemesten, in kleine porties verspreid.
Toepasbaarheid compost thee
Tot slot bespreekt Vanhoof compostthee op grasland: hij kent melkveehouders die het toepassen en in kuilanalyses hogere mineralen/sporenelementen zien t.o.v. jaren ervoor. Hij ziet het als versneller in de overgang, mogelijk later minder nodig als biologie stabiel is. Ook noemt hij melkzuurpreparaten (EM) bij bodembewerking: bij een storende laag kan het sproeien van melkzuurbacteriën tijdens diepwoelen verdichting sneller doen verdwijnen. Alexander koppelt dit aan bodemherstel (soil remediation) en het belang van melkzuurbacteriën. Vanhoof noemt resultaten van ILVO-metingen bij biologische boeren waar sterke reactie in zijn suikertest correleerde met veel schimmels en grotere biomassa; schimmels helpen bodemdeeltjes samenkleven en verklaren snellere organische-stofopbouw.
Wat kan jij vandaag al doen?
In zijn afsluitende boodschap adviseert Vanhoof boeren om berekende, voorzichtige proeven te doen, goed te observeren en kennis te delen. Aan wetenschappers en beleidsmakers zegt hij: als modellen iets afkeuren maar de praktijk laat zien dat het werkt, ga terug naar de praktijk en blijf bij de realiteit. Aan beleid vraagt hij vooral faciliteren: geef bedrijven met goede mest ruimte voor bijvoorbeeld bovengronds uitrijden, of meer dierlijke stikstof als daarmee kunstmest omlaag kan; andersom (dierlijke mest beperken en kunstmest toestaan) noemt hij ‘omgekeerde wereld’. Voor jongeren adviseert hij kritisch te kijken, niet alles van internet te geloven, te observeren en terug te gaan naar de basis; “het oog van de meester maakt de dieren vet.”
Nieuw voer is een podcast van Alexander Prinsen waarin hij opzoek gaat naar de transitie in de landbouw. In het dagelijks leven adviseert hij ondernemers anders te kijken naar de realiteit en innovatie met als doel volhoudbare verdienmodellen te realiseren die toekomstbestendig zijn. Meer weten kijk op www.scopematters.com.

Leave a Comment