NV#61 — Ruud Hendriks | De bodem als fundament van bestaan. De vraag is wie er goed naar kan luisteren.

Een gesprek over wormen, aaltjes, stikstof, komkommers die zichzelf herstellen, en de vraag waarom we voedsel zo goedkoop willen houden terwijl het de basis is van alles.


Er zijn mensen die je enthousiast maken voor een onderwerp waarvan je van tevoren niet had verwacht dat het je zou raken. Ruud Hendriks is zo iemand. Als practor kringlooplandbouw aan Warmonderhof — de enige biologisch-dynamische landbouwschool van Nederland — begeleidt hij volwassenen die op het grensvlak van maatschappij, burger en landbouw willen werken.

En het gesprek dat je met hem voert, reikt verder dan landbouw alleen. Het gaat over stikstof in spieren, over komkommers die zichzelf kunnen herstellen, over wormen die leven als kleine architecten in de grond, en over de vraag wat er eigenlijk met onze bodem — en ons voedsel — aan de hand is.

De les: wie de bodem wil begrijpen, begrijpt de worm. En wie de worm begrijpt, begrijpt de koe.

Het beginpunt is simpel. En tegelijk verbluffend.

(met dank aan AI voor de verwerking van die gesprek vol weetjes, feitjes en doordenkers. vanwege tijdsgesprek)

Wat blijft hangen na het luisteren? Ik hoor graag van je!


Investeer mee in de podcast en waardeer dit hoorcollege met een donatie of maand abonnement.
? Wat is het jouw waard?

Mijn collectezak met de betaallinks 👇
💲 collectezak👉hier is de link naar mijn betaalprovider
🌻 👉⁠⁠⁠Nieuw Voer: [https://nieuwvoer.nl/jouw-bijdrage-aan-meer-nieuw-voer/]
🌻 👉 Petjeaf: (als je een factuur wenst) ⁠[⁠⁠⁠⁠https://petjeaf.com/nieuwvoer⁠⁠⁠⁠]

Maandelijks of eenmalig, met het bedrag wat het je waard is, wat als dat je ding is.
Wat je ook kiest, hartelijk dank alvast voor je steun en veel lees / luister plezier.



En meld je aan voor de nieuwsbrief zodat je het volgende gesprek niet mist!

Je gegevens zijn enkel en alleen voor de verwerking voor de nieuwsbrieven van nieuwvoer en niet anders.


“Bodem is het fundament van bestaan”

Vraag Ruud naar zijn favoriete onderwerp en het antwoord komt zonder aarzeling: de bodem. “Bodem is altijd favoriet. Dat is altijd mijn vak geweest. En of je nou tuinder bent of gewoon je eigen hobbybalkonnetje hebt — als je iets teelt, heb je altijd iets met bodem. En zelfs in de glastuinbouw kijken ze naar bodem en proberen ze dat zo veel mogelijk te imiteren.”

Het is een inzicht dat groter is dan het lijkt. De bodem is niet alleen de laag aarde waarop gewassen groeien. Het is een levend systeem. Een systeem vol bacteriën, schimmels, wormen, aaltjes — een onzichtbare wereld die bepaalt of een plant gezond wordt, of een koe goed melk geeft, of een mens voedsel binnenkrijgt dat werkelijk voedt.

Warmonderhof, de plek waar Ruud werkt, ontvangt elk jaar zo’n honderd deeltijdstudenten. Mensen tussen de 25 en 45 jaar die een andere richting inslaan. “Ze hebben besloten: ik wil iets doen wat zin geeft, wat buiten is, wat met het land verbonden is, wat met biologische voeding verbonden is. Behoorlijk gedreven, zeg maar. Vaak een verandering van leefrichting.” Ze studeren niet voltijds, wonen er niet, maar komen wekelijks naar Dronten en lopen stage in hun eigen regio. Drie dagen per week, naast vaak nog een baan of eigen onderneming.

Soms komen ouders mee. Die zeggen dan: “Had ik geweten dat dit bestond vroeger, dan had ik dit gewild.” En soms schrijven ze zich zelf in.

De school staat op een boerderij van 85 hectare — melkvee, tuinbouw, glastuinbouw, akkerbouw. Een compleet gemengd bedrijf. Het is ook een BD-school, biologisch-dynamisch, met een antroposofisch fundament. Niet iedereen die er komt heeft daar verbinding mee. Sommigen krijgen het onderweg, bij anderen springt de vonk over. Anderen zitten het uit, omdat het de enige biologische landbouwschool van Nederland is. En dat feit blijft hangen: de enige.

In Europa zijn er een paar kleintjes, maar het is uniek dat het BD is. Al in 1947 gestart, kort na de Tweede Wereldoorlog. Een groep ouders met een antroposofische achtergrond vond landbouwonderwijs goed voor de opvoeding van hun kinderen. En zo is een school begonnen die nu de ruggengraat vormt van een heel gedachtegoed over hoe landbouw anders kan.


Biofotonen: de appel die licht uitzendt

Al vroeg in het gesprek duikt een begrip op dat de meeste mensen niet kennen: biofotonen. Het licht dat organismen uitstralen. Een appel, een ei, een mens — ze zenden licht uit. Dat kun je meten.

“De gemiddelde Nederlander ziet een appel of een ei nou niet als een licht uitzendhoudend organisme. Maar een appel straalt licht uit. En dan kun je iets zeggen over de vitaliteit, over de bewaarbaarheid.”

Het is mechanistisch genoeg om wetenschappelijk te zijn — je kunt het met een computer en beeldscherm laten zien. En toch opent het een deur naar iets dat de reguliere landbouwwetenschap nog niet goed kan vatten: wat maakt voedsel levend? Niet chemisch, wel vitaal?

Roel van Wijk, onderzoeker op dit gebied, laat zien dat iemand die goed in zijn kracht zit meer biofotonen vasthoudt. Iemand die niet lekker in zijn vel zit, verliest ze. “Iemand die goed in zijn vel zit, daar word je naartoe aangetrokken. Iemand die niet lekker in zijn vel zit, daar loop je eigenlijk omheen.”

En wat geldt voor mensen, geldt misschien ook voor planten. En voor de bodem waarop die planten groeien. Het is een gedachte die Ruud niet loslaat.


Stoffen leren kennen vanuit hun essentie

Dan een zijsprong die een omweg blijkt te zijn. Ruud vertelt over een groep waarin hij zeven jaar lang heeft gezeten. Elke winter namen ze twee elementen uit het periodiek systeem — zoals koolstof, stikstof, waterstof, koper, ijzer, natrium, kalium — en bestudeerden die vanuit alle kanten.

Een antroposofische arts vertelde over de medische associaties. Een homeopaat over wat de stoffen doen in een lichaam. Een aardrijkskundige over de geologische herkomst. Een scheikundeleraar deed proefjes — “om visueel fenomenologisch waar te nemen: wat is de essentie als je die stof laat zien in zijn kleuren, in zijn knallen.” En een kunstenaar luisterde en tekende het uit.

“Zo probeerden we in één winter tot een soort kernbegrip te komen: wat is nou de essentie van die stof? Wat draagt die als het ware?”

Het is een werkwijze die je niet in een academisch handboek vindt. En toch klinkt het als iets wezenlijks: de poging om materie niet alleen kwantitatief te begrijpen, vooral het kwalitatief te duiden. Want stel eens dat is chemie meer dan een stel atomen en protonen.


Stikstof: niet alle N is gelijk

En daarmee komen we bij stikstof. Het N-tje. Het element dat deze tijd definieert. Stikstof zit in spieren, in aminozuren, in de jonge delen van gras waar een koe het liefst knabbelt. Zestien procent van elk eiwit is stikstof. Onmisbaar voor groei, voor leven.

“We zitten in een stikstoftijdperk. Er wordt ongelooflijk veel stikstof gebruikt in de landbouw.”

En Ruud stelt een vraag die de gangbare landbouwchemie uitdaagt: is stikstof uit kunstmest hetzelfde als stikstof uit vaste mest, of uit urine? De chemicus zegt: het zijn dezelfde atomen. Ruud noemt dat zijn “Wageningse been” — en zet er zijn hypothese tegenover: “Nee, dat is niet dezelfde stikstof. Er zit verschil in. Alleen hoe gaan we dat verschil inzichtelijk maken?”

Hij vergelijkt het met supplementen: de ene is biologisch opneembaar, de andere niet. Je lichaam gooit die laatste er meteen uit. De huidige meettechnieken maken dat onderscheid niet zichtbaar. Dat het onderscheid er niet zou zijn, dat gelooft hij niet.

Van de stikstof die de Nederlandse landbouw binnenkomt, is een derde kunstmest. Twee derde komt via krachtvoer. Niet de korreltjes, maar soja, graan, eiwitten van ver weg. “Veel mensen hebben het beeld: het is allemaal kunstmest. In Nederland komt maar een derde uit kunstmest. Twee derde komt uit krachtvoer.”

En die krachtvoerstikstof? Die kan ook kunstmest zijn, verpakt in organisch materiaal. Oekraïens graan bemest met kunstmest, verwerkt in veevoer. “Dan is het eigenlijk organisch verpakte kunstmest.”


De koe als fermenteerketel

Een koe is geen simpele omzetter van gras naar melk. Ze is een ecosysteem op poten. In de pens en de darmen van een koe leven enorm veel bacteriën — en die bacteriën bestaan zelf uit eiwitten. Ze creëren eiwitstructuren die de koe kan opnemen, ook al zaten die niet in de plant. “Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat een koe, machtig beest in die zin, zijn eigen eiwit creëert.”

Een koe heeft ook energie nodig om stikstof te verteren. “Als je meer melk wil hebben, betekent dat niet dat je alleen meer eiwit moet geven, je moet dan vooral zorgen dat er ook energie ingaat om te zorgen dat wat de koe vreet ook benut kan worden.” Peter van Hoof, die betere mestkwaliteit nastreeft, bouwt hierop voort. Meer benutting van stikstof in de koe betekent minder stikstof in de mest. En betere mest betekent een gezondere bodem.


De worm als spiegel van de koe

Dan een sprong die je even doet stilstaan. De koe en de regenworm — ze doen eigenlijk hetzelfde. “De worm in de bodem vreet organisch materiaal. Die is in feite exact hetzelfde als de koe.”

Ook de worm is een fermenteerder. Wat erin gaat is niet hetzelfde als wat eruit komt. De worm zet dood organisch materiaal om in iets wat de bodem kan opnemen en gebruiken. En dan de wereld die onder onze voeten leeft en die de meeste mensen nooit zien. In Nederland zijn er meer dan 60 soorten regenwormen. Ruud onderscheidt er drie groepen.

De kleine rode worm, die in mulchlagen leeft en razendsnel vermeerderen kan — maar ook razendsnel sterft als het droog wordt. Ze laten stapels eieren achter. Een snelle cyclus.

De dauwpier — de bekende, dikke, roodachtige worm die boven komt als het regent. “Die dauwpier die leeft meerdere jaren. Dat kan echt een stevig beest worden. Twintig, dertig centimeter lang. En dan woont hij daar als het ware in zijn huis.” De diepste die Ruud ooit vond, zat op één meter dertig diepte, in de Betuwe, in de hete zomer van 2003. Ze zijn de gangen gevolgd totdat ze hem vonden. “Hij heeft het onderzoek niet overleefd, helaas.” De dauwpier boort zijn gang naar beneden en naar boven. Hij komt ‘s avonds en ‘s ochtends vroeg boven om voedsel te halen of te paren. Paren gaat namelijk niet ondergronds.

Dan de grauwe worm, die in de bovenste vijftien centimeter kruist. Geen pigment, geen UV-bescherming — want hij komt nooit boven. Hij vreet het organisch materiaal dat via wortels in de grond is gekomen, of de resten van andere wormen.

En de tijgerworm, Eisenia foetida — de compostworm, verwend en warmteminnend. Als je wormencompost wil maken, moet je hem van buitenaf enten. Hij zit niet van nature in de bodem. Maar hij vermenigvuldigt razendsnel. “Die leggen bossen eieren.”

De les: wie de bodem wil begrijpen, begrijpt de worm. En wie de worm begrijpt, begrijpt de koe.


De komkommer die zichzelf herstelt

Dan het experiment dat het meest tot de verbeelding spreekt. Een komkommer wordt in plakjes gesneden — gelijke dikte, in folie, bij verschillende temperaturen bewaard. Vroeg of laat rotten ze allemaal. Maar wat onderzoekers ontdekten: sommige komkommers herstelden zichzelf. De plakjes groeiden terug aan elkaar. Je kon de komkommer weer oppakken als geheel — de littekens zichtbaar, maar heel.

“Die komkommer, die blijft gewoon als een banaan bij wijze van spreken weer gewoon heel.”

Vervolgens werden gewichtjes aangehangen om te meten wanneer de herstelde komkommer brak — als maat voor de mate van herstel. En in een experiment waarbij mensen mochten kiezen tussen een herstelde en een niet-herstelde komkommer, pakte vrijwel iedereen intuïtief de komkommer met meer levenskracht.

“Ergens hebben mensen toch iets met: dat herstelvermogen van die komkommer, dat spreekt mij aan. Er zit levenskracht in.”

En dan de hypothese die volgt: als je die komkommer eet, ondersteunt zijn herstelvermogen dan jouw herstelvermogen?

Het is onbewezen. Het sluit wel aan bij onderzoek dat wél gemeten is. Het 25-jarige levensstijlonderzoek van de Universiteit Maastricht toonde aan dat biologisch etende baby’s minder eczeem hadden. Op latere leeftijd: minder astma. En nu kijken onderzoekers in Amsterdam of het microbioom van een bodem terug te herkennen is in het microbioom van de darmen.

“Dat betekent dat we niet alleen maar naar die minerale voeding van planten moeten kijken, maar dat voeding veel verder gaat dan alleen maar de mineralen die erin zitten.”

De bodem. De plant. De komkommer. Het microbioom. De darmen. Het zijn geen losse elementen — het is één keten.


Aaltjes: de verkeersregelaars van de bodem

Veel boeren zijn bang voor aaltjes. Maar die angst is misplaatst, zegt Ruud. “Het gros van de aaltjes eet bacteriën, eet schimmels, eet elkaar. Ze houden ondergronds constant evenwicht.” Van alle aaltjessoorten zijn er maar enkele tientallen die voor de landbouw een probleem zijn. De rest is juist wenselijk — ze zijn de natuurlijke vijanden van diegenen die schade aanrichten.

“Er moeten heel veel aaltjes in de grond zitten, want dat is een teken van een vitale grond. Net als de boer bovengronds bezig is om natuurlijke vijanden op voorraad te houden met bloemstroken en rozen, moet je ook zorgen dat er onder de grond heel veel soorten aaltjes zijn.”

Ze zijn klein, onzichtbaar, maar onmisbaar. Sommige hebben een rond bekje en eten bacteriën. Andere hebben een stiletje — een naald — waarmee ze schimmels aanprikken. De grootste vreten kleinere soorten, of hun eigen jongen. “Ze zijn de verkeersregelaars van de bodem. Ze houden de hele massa in toom.” En dan de kern: “Wees niet bang voor de biologie.”


Bedrijfsindividualiteit: elke plek is uniek

Een kernbegrip in de BD-landbouw is bedrijfsindividualiteit. Jouw bedrijf, jouw plek, is een entiteit die je nergens anders vindt.

“Landbouw is heel lang als een tamelijk uniform iets behandeld. Een veredelaar wil veel afzetten, dus die gaat een paar grove eenheden gebruiken zodat hij op veel plekken zijn product kwijt kan.”

Maar dat werkt niet als je echt met een plek wilt werken. De bodem in Drenthe is niet die in Zeeland. De zomer van 2003 was niet die van 2024. Elke interventie vraagt om maatwerk.

Ruud vergelijkt het met een arts die niet alleen naar de ziekte kijkt maar ook naar de patiënt. “De een durft risico. Dan maak ik een grote sprong. De ander wordt er huiverig van. Dan beginnen we met een kleine sprong.” Zelfs de menselijke factor in de begeleiding is een variabele.

Die bedrijfsindividualiteit heeft ook een voedingsdimensie. Ruuds hypothese: als je eet van een bedrijf waar die individualiteit goed ontwikkeld is — “waar die facetten die dat bedrijf uniek maken mooi in balans zijn — dan helpt dat via onze voeding om ook onze eigen ontwikkeling in balans te laten plaatsvinden. Dat je tot een individu kunt uitgroeien.”

Het klinkt filosofisch. Maar het raakt aan iets dat steeds meer wetenschappelijk terrein wint.


Biologisch versus gangbaar: de eerlijke vergelijking

Dan het debat dat nooit ophoudt. Produceert biologische landbouw minder dan gangbaar? Ruud is eerlijk: “Als je gewoon kijkt naar de gemiddeldes per hectare, dan zitten we op een 25 à 30 procent minder.” In Zwitserland, waar een 40-jarig onderzoek de systemen naast elkaar vergelijkt op dezelfde grond, komt men op 15 procent. Minder, niet dramatisch. En dan zijn er de toppers. Arjan van Buren, Erwin Westers — biologische boeren die evenveel of meer produceren dan hun gangbare buren. “De Max Verstappens van de landbouw.” Ze halen dezelfde opbrengsten, op eigen stikstofvoorziening, met een gezondere bodem.

“Wat je eigenlijk zou willen doen is de topbioboeren vergelijken met de top van de gangbare boeren. Niet met het gemiddelde.”

En dan het waterargument, dat in een klimaat van extremen steeds zwaarder weegt: biologische gronden kunnen gemiddeld 30 tot 40 procent meer water verwerken dan gangbare gronden. “In deze tijd reuze interessant, want dat betekent gewoon dat je meer regen aankan.” Opbrengst per hectare is niet het enige getal dat telt. En de gangbare opbrengst daalt al jaren langzaam. “Je kunt niet zeggen: die opbrengst die we nu halen, halen we in de toekomst ook.”


De ecomodernist en de biologische boer: ongemakkelijke bondgenoten

Ruud noemt Hidde Boersma als voorbeeld van het ecomodernisme: intensief produceren met technologie, zodat er meer ruimte voor natuur overblijft. Minder grond voor landbouw, meer voor biodiversiteit. Het argument klinkt logisch. Biologische landbouw oogst minder per hectare, dus heeft meer grond nodig voor dezelfde hoeveelheid voedsel. Dat is slecht voor het ecosysteem.

“Ik vind dat een intrigerende gedachte.” Geen afwijzing. Het is een uitnodiging tot nadenken.

En dan de tegenvraag: wat voedt ons eigenlijk? Niet in kilo’s, wel in gehaltes. In vitale stoffen. “Dan moet je niet in kilo’s gaan kijken. Je moet in gehaltes gaan kijken.” En in het debat tussen vlees en veganisme ziet Ruud geen tegenstelling, maar een noodzakelijke spanning. “De gehaktbaleter heeft de vegans hartstikke hard nodig, want die trekken het evenwicht naar de andere kant. Dus wees blij met elkaar.”

Het is geen compromis. Het is een systeemvisie.


De stikstofrekening: een bierviltje dat schokt

Dan het grote verhaal. De stikstofrekening van Nederland, uitgerekend op bierviltjesniveau. Ruud heeft berekend wat er zou gebeuren als Nederland biologisch zou gaan denken. Als we stoppen met kunstmest en krachtvoer van buitenaf. Als we alles uit de kast halen — vlinderbloemigen in de vruchtwisseling, klaver in het grasland, humane mest terug naar de landbouw. De uitkomst: we kunnen een derde genereren van wat we nu menen nodig te hebben.

“Dus het is een gigantisch gat.”

Dat gat is geen argument tegen biologische landbouw. Het is een argument voor eerlijkheid over de consequenties van systeemverandering. Als je zegt “kringlooplandbouw”, wat betekent dat dan werkelijk? Een totaal andere landbouw. Minder dieren. Andere gewassen. En de vraag: is melk nog houdbaar als product?

De melkveehouderij draait in Nederland op geïmporteerd krachtvoer. “Als je even ruig rekent, hebben we ongeveer evenveel grond in het buitenland als we hier in Nederland hebben liggen voor de melkveehouderij.” Het is eigenlijk altijd een gemengd bedrijf geweest — nu met de akkers in Oekraïne of Brazilië.

Tegelijk: elke twee à drie jaar is er een crisis rondom kunstmest. Oekraïne. De Straat van Hormuz. “De incidenten zijn structureel geworden.” En elke keer dezelfde paniek: er is te weinig stikstof. Terwijl de echte vraag luidt: hoe benutten we stikstof zo efficiënt mogelijk?

Melkveehouderij benut zo’n 25 procent van de stikstof die binnenkomt. Drie kwart verdwijnt het systeem uit. Akkerbouwers benutten zo’n 60 procent. Plantaardig eiwit vraagt minder stikstof, maar voegt minder per gram toe dan dierlijk eiwit. De vergelijking is complex. Maar de conclusie is niet: stop met vlees. De conclusie is: denk na over verhouding en efficiëntie.


De echte kringloop: ook onze menselijke poep moet terug

Dan een onderwerp dat in beleidsstukken zelden verschijnt maar dat Ruud altijd meesleept: een wc-pot aan een stuk hout. “Die sleep ik mee in mijn auto. Aan het eind van het verhaal draai ik die pot om en die grijze pijp gaat dan de landbouw weer in.”

We eten mineralen. Die mineralen verlaten ons lichaam via het riool. In Nederland gaan ze verloren. Ondertussen importeren we kunstmest om de landbouwgronden aan te vullen.

In Frankrijk gaat 80 procent van het rioolslib naar de landbouw. “Ik geef dit beeld voor mensen die zeggen: rioolslib wil ik niet op mijn eten hebben. Zit je op een terrasje en komen er tien Fransen voorbij? De poep en de pies van acht van die tien Fransen komt in de landbouw terecht. Dus ga maar op je terrasje zitten, ga maar tellen.”

Ja, er zijn kwaliteitsproblemen — microplastics, medicijnresten. In Frankrijk is het inmiddels verplicht om een microplastic filter aan je wasmachine afvoerpijp. AEG bijvoorbeeld levert het standaard.

Het principe klopt. En de oplossing is te vinden: vacuümriolering in nieuwe wijken, gescheiden inzameling, vergisting. “Over één à twee generaties kunnen we heel Nederland gescheiden inzamelen.”

Joost van Strien, de “No Shit Farm”-boer die volledig plantaardig teelt, maakt de mineralenkwestie concreet. Hij heeft 25 procent vlinderbloemigen voor zijn eigen stikstof. Maar alle andere mineralen moet hij ergens vandaan halen. Nu haalt hij tijdelijk compost uit nabijgelegen natuurgebieden. “Maar dat kan niet elke boer, want zoveel natuur hebben we niet.”

De conclusie: een echte kringloop sluit de humane kringloop in. Mineralen die wij eten moeten terug naar de grond die ze heeft voortgebracht. Anders is het lineair. En een lineair systeem is eindig.


Agro-ecologie: landbouw als onderdeel van de maatschappij

Ruud gebruikt als overkoepelende term “agro-ecologie” — een denkwijze die in de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond, tegelijk met de BD-landbouw, na de Eerste Wereldoorlog. “Het viel me op dat in de jaren 20 na die Eerste Wereldoorlog iets is gebeurd waardoor mensen zich zorgen begonnen te maken over de trend die de landbouw inging.”

Agro-ecologie begon in de wetenschap. Later kwamen boeren die de ideeën op hun bedrijven toepasten. Nu ontwikkelt het zich richting een bredere beweging — Agroecology Europe, met dertien facetten, waarvan de helft buiten de agrarische wereld liggen.

“Daar gaat het ook over: wie is eigenlijk genetisch eigendom? Wat is de rol van geld? Wat is de rol van bodem als waarde? Wat gebeurt er op het moment dat geld sturend wordt in plaats van ruilmiddel?”

Het gaat over een landbouw die niet naast de maatschappij staat als toeleverancier, maar er volledig deel van uitmaakt. “Regeneratief en agro-ecologisch beginnen steeds meer dezelfde inhoud te krijgen.”


Wat Nederland mist: visie en vertrouwen

Hier wordt het gesprek ook pijnlijk. Nederland heeft geen visie op landbouw. “Als ik het even kort door de bocht zeg.” Rutte’s uitspraak — “voor visie moet je bij de opticien zijn” — werd nooit vergeten. Terwijl Denemarken al in de jaren tachtig boeren én supermarkten meenam in de transitie, elke helft de ondersteuning, heeft Nederland de handel nooit structureel betrokken.

De overheid schrijft voor: welke machines, welke data, welke kalender. “De kalender is zo’n ding geworden: na zoveel tijd mag er niks meer in of moet er iets in. Terwijl de ene bodem de andere niet is.” Ruud vergelijkt het met de kolchozen. “We hebben ons vroeger rot gelachen om de sovchozen die vanuit Moskou voorgeschreven kregen welke datum de granen erin moesten. En dat is wat we nu eigenlijk aan het doen zijn.”

“Eigenlijk laat je daarmee zien dat je de boer als vakman niet vertrouwt.”

Wat hij wil zien: doelstellingen in plaats van middelen. Zeg als overheid: we willen waterkwaliteit op dit niveau. Hoe de boer dat bereikt — met hoeveel kunstmest, met welke machines — dat is aan hem. “Het is echt te gek voor woorden om voor heel Europa te zeggen: 170 kilo stikstof uit dierlijke mest is de max. Want vergelijk je Portugal, Spanje, Griekenland. Ga je met elkaar vergelijken en allemaal op die eenheidsworst. Dat is Russisch denken.”

>> Het is dan bijzonder dat een Gemeente zoals Ede laat zien dat het ook anders kan. Ze zijn daar alle boerenbedrijven afgegaan. Hebben bij alle boeren gevraagd: wie ben je? Wat wil je? Welke competenties heb je? Wat mis je? Maatwerk, op het kleinste schaalniveau.


Renure: vestzak, broekzak

Dan een technisch-politiek zijpad dat dieper gaat dan het lijkt. Renure: stikstof die uit dierlijke mest wordt geëxtraheerd en als kunstmest wordt ingezet. Bedoeld om Nederland minder afhankelijk te maken van Russische kunstmest. En Ruud ziet een denkfout. “Op het moment dat jij jouw dierlijke mest gaat gebruiken als kunstmest, hol je jezelf uit. Dan haal je iets wat al in jouw systeem zit naar een andere plek toe.”

Hij vergelijkt het met een bankrekening. Je kunt je spaarrekening aanspreken om je lopende rekening op orde te houden — maar dan hol je jezelf uit. Stikstof die al in het systeem zit omzetten is geen kunstmestbesparing. Niet voor de landbouw van Europa als systeem.

“Ik heb erover gesproken met politici tot Brussel aan toe. Ruud, je hebt gelijk. Klopt, maar dat is te complex. Dat kan ik in de politiek niet verkopen.”

En zo is renure goedgekeurd. Een technische oplossing die het echte gesprek — over vakmanschap, over doelstellingen, over vertrouwen — uitstelt. “Nu hebben we ons vastgezet. We zitten jaren vast aan technische oplossingen die alleen maar heel veel geld kosten.”


De boer als waarnemer, de vakman als leider

Wat maakt een boer succesvol in de transitie? Ruud denkt na. “Je moet een boer zijn die ontzettend goed kan waarnemen. Aan de hand van wat het gewas jou laat zien, inschatten: wat heeft dit bewerkstelligd?”

Hij vertelt over zijn achterbuurman, een melkveehouder die alle externe adviseurs eraf heeft geschopt en zelf is gaan kijken. Eindeloos vragen, kijken, experimenteren. Zijn buurman vertelde hem: “Ik ben ook tig keer op mijn bek gegaan met dingen die mislukten, die bij een ander prima gingen en bij mij niet lukten. En zo langzamerhand, al kijkend en lerende, ontdekte zijn buurman wat kwaliteit is. En wat zijn land goed mee omgaat. Nu haalt hij dezelfde droge stofopbrengsten als zijn gangbare buren — op eigen stikstofvoorziening.

In een studiegroep vroegen ze hem naar zijn jaar. “We hadden een beetje matig jaar. Veertien, vijftien ton.” Verbazing in de groep — want dat is juist hoog, dat zouden die andere boeren ook graag willen. “Zijn wakkerheid, zijn zoektocht.” Dat is de kern. En de maatschappij begint het te merken. De koeien lopen buiten, de vogels zijn terug, de buren kijken toe en vragen: hoe doe je dat?

“Hij is bij toeval bio geworden. Hij wilde niet bio worden. Hij ging anders boeren, maar bleek uiteindelijk op bio te kunnen worden en daar de meerprijs van te hebben. Dat was zijn route.”


Denemarken als spiegel

Ruud vergelijkt Nederland met Denemarken — een land dat al in de jaren tachtig investeerde in zowel de boer als de handel. “Zo lang al als we biologisch of andere milieuvriendelijke groene vormen van landbouw willen stimuleren, dan moeten we de supermarkten in meenemen. De helft van onze inzet zit bij de boeren, de andere helft besteden we aan de handel. En die twee moeten samen op.”

Denemarken heeft nu een landbouwtransitie. CO₂ wordt beprijsd. De meest extensieve gronden gaan terug naar natuur. En het is in redelijk soepel overleg met de boeren gebeurd. Nederland heeft dat nooit gedaan. Nederland heeft niet de boeren en de supermarkten samen meegenomen. Niet samen de markt gecreëerd terwijl het aanbod werd opgebouwd. En nu vragen beleidsmakers verbaast: waarom gaat het zo moeizaam?

“Niet elke boer kan zijn individuele kanaaltjes opzetten. Die is afhankelijk van die supermarkt. En Nederland heeft nooit energie en beleid gehad om die supermarkten mee te nemen, zoals in Denemarken.” Er zijn vele boeren die de stap willen maken. Die zijn technisch gezien klaar. Aleen zonder markt is het zinloos.


Wat de samenleving kan leren

Aan het eind van het gesprek wordt het persoonlijk. “Wees je bewust dat voeding — en daarmee de bodem — het fundament is onder ons bestaan.” Ruud pleit ervoor dat voeding een groter deel van ons uitgavenpatroon wordt. Niet omdat het duurder moet voor de armen — dat moet sociaaleconomisch worden opgevangen. Nee, het is omdat de middenklasse andere keuzes kan maken. “Dan maar geen nieuwe keuken. Of dan maar geen citytrip naar Madrid. Voedsel is gewoon wezenlijk.” En daarin is de stad is te bepalend geworden. De Randstad maakt beleid over een platteland dat ze nauwelijks kennen. Boeren worden niet gewaardeerd — niet door de stad.

En dan de voedselzekerheid: de stad heeft drie dagen voorraad. Na zeven maaltijden is er een probleem. “Woon je op een flat in Rotterdam? Die mensen gaan voor de avondmaaltijd nog even de winkel in. Daar is morgen de thuis voorraad morgen op.” Als de stroom uitvalt, de supermarktdeuren dichtgaan, gaat het razendsnel mis. We hebben het ons nooit kunnen voorstellen. De kans neemt met iedere dag toe.

Met nog zestig oogsten in het vooruitzicht is er geen tijd om te wachten. Als er nu niets verandert aan de manier waarop we onze bodems behandelen, kan de maatschappij zoals we die kennen er straks niet meer zijn. Dat klinkt dramatisch. Maar het is geen doemdenken. Het is een uitnodiging.

“Durf je die vraag aan jezelf te stellen en eerlijk te zijn?
Durf je buiten je eigen kaders te treden om nieuwsgierig te blijven?
Om natuur en verdienmodel in samenhang te brengen?”


Nieuw voer is een podcast van Alexander Prinsen waarin hij opzoek gaat naar de transitie in de landbouw. In het dagelijks leven adviseert hij ondernemers anders te kijken naar de realiteit en innovatie met als doel volhoudbare verdienmodellen te realiseren die toekomstbestendig zijn. Meer weten kijk op www.scopematters.com.


Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *